Rixt de Oerheks

Het oosten van Ameland is een heel ruig en daardoor onbevolkt gebied, dat was het vroeger ook al. Dit gebied heet het Oerd. Vroeger stond daar op het uiterste puntje van het eiland een klein hutje, gemaakt uit wrakhout. In dat hutje woonde een vrouw die met niemand van het eiland contact had. Haar naam was Rixt, ook wel Ritske. Door verschillende mensen werd ze ‘de Oerdheks’ genoemd. Soms zagen de eilanders haar wandelen in de duinen, tegen de wind in, bij het gekrijs van de meeuwen.
Maar niemand wist wie ze precies was of van waar ze kwam. Volgens sommigen kwam ze van het vasteland, vanwaar ze was gevlucht van de armoede. Anderen zeiden dat ze daar was weggejaagd door de bevolking die een zondebok zocht voor de hongersnood. Er werd immers gefluisterd dat ze contact had met de duivel en dat ze verschillende toverdranken brouwde met kruiden die ze vond in de duinen. Daarom kwamen de Amelanders liever niet op het Oerd, ze wilden liever niet betoverd worden. En als er dan toch eens iemand op het Oerd kwam, om eieren te rapen of te strandjutten, dan deed die een schietgebedje en probeerde er zo snel mogelijk terug weg te zijn.
De enige andere mens waarmee Rixt wel contact had, was haar zoon Sjoerd. Ze had hem helemaal alleen opgevoed en ze hield zielsveel van hem. Maar buiten Sjoerd was er niemand van wie ze hield. De andere mensen hadden haar steeds gemeden en daardoor was ze een eenzame vrouw geworden en was ze enorm verbitterd.
Om zich te wreken op de mensen liep ze soms ’s nachts bij stormweer door de duinen. Door de waaiende wind kwam ze helemaal in haar element, ze schreeuwde en tierde. Ze wilde wraak op de mensen. Dan bond ze vaak een licht op het hoofd van haar koe en liet de koe langs het strand lopen. Ondertussen riep ze vloeken en toverspreuken uit over de schepen die voorbij kwamen. De scheepslui  werden misleid door het licht op het hoofd van de koe en voeren op het licht af. Maar ze voeren te pletter tegen het harde licht. Op die manier deed Rixt verschillende schepen zinken. De ochtend na zo’n onstuimige nacht ging ze dan voor dag en dauw naar het strand op zoek naar dingen die waren aangespoeld.  Als ze lijken vond, van de verdronken scheepslui, trok ze de juwelen van hun armen of de laarzen van hun voeten. Als ze de ringen niet van de vingers kreeg, beet ze zelfs de vingers van de lijken af.
Op een nacht was het weer zo ver. Het stormde, Rixt brulde en tierde en zag een schip langs de kustlijn. Snel zette ze de lantaarn op het hoofd van haar koe en schreeuwde ze tegen de wind in. Toen de storm de volgende ochtend was gaan liggen, trok ze naar het strand, op zoek naar de buit. Aan de kustlijn aangekomen, zag ze iets verder al een lijk liggen. Het leek een jongeman te zijn. Zou ze daar juwelen of andere kostbaarheden kunnen te pakken krijgen. Ze ging eens kijken. Maar… Wat was dat? Het lijk… de jongeman… het was Sjoerd!! De zoon van Rixt zat op het schip dat de Oerdheks zelf had doen vergaan! Ze stortte zich over het dode lichaam van haar zoon en schreeuwde heel luid van verdriet.
Sindsdien heeft men Rixt nooit meer terug gezien. Maar op sommige momenten als je ’s avonds op het Oerd komt, dan hoor je haar stem in de wind: “Sjoeoeoeoerd, sjoeoeoeoerd!”. Luister maar eens goed!